Wanneer de beschouwer het kunstwerk objectief zou bekijken, dat is, ontleden, stoot hij uiteindelijk op de cirkel van schepper, ding en idee. Eenheid kan hij zelf ook ervaren. Veelheid kan hij verbinden. Maar het verband daartussen kan hij net niet begrijpen in het werk. Helemaal ontleed ziet hij uiteindelijk een oog terug. Zo ontdekt hij het verband. Niet als symbool, niet als begrip, maar als zichzelf: hij herkent het als de wil tot scheppen, tot betekenen. Hij ervaart de rijkdom aan mogelijkheden, hij ervaart zichzelf als mogelijkheid.